(2) Verbeeldingskracht

In Aduard heeft een klooster gestaan. Op het plafond van de overgebleven ziekenzaal heeft Jacob Por een schildering gemaakt: trillende lijnen en cirkels alsof hij de aardbevingen in Groningen voorspelde. Hij baseerde de drakenkopjes aan de zijkant op de ziekenzaal in Beaune. Ik vraag me af of de zieken zich sneller beter voelden, wanneer zij vol verwondering naar de schilderingen boven zich kijken konden.

Ik kook mijn eten op een inductieplaat. In Gent stonden er buiten, achter mijn woonwagen, blauwe metalen gasflessen, die ik rollend verwisselde.

Mijn overbuurman zorgt voor de kinderen van zijn onderbuurvrouw. Het is een tweeling, twee blonde jongetjes met krullen. Ik leen vaak gereedschap van mijn overbuurman. Terwijl ik vandaag op de zaag wachtte, kreeg ik eerst een knuffel van de ene en even later van de andere. De jongens zijn goed en blij, ze zinderen.

Het enige liedje dat ik spelen kan op de piano is de makkelijke versie van Harry Potter, een klein versimpeld fragment van Für Elise en af en toe een eigen versie van de vlooienmars.

Ik heb een gitaar gekocht deze week. Het hout is donkerbruin, ik heb er een schouderband bij gekozen die mooi bij mijn interieur past. Een vriend van een vriend, een Italiaan, blijkt toevallig gitaarles te geven. We gaan afspreken in het park.

Dit is dus draagkracht. Dit is dus cohesie. Verhalen verbinden ons, zolang we ze durven te vertellen.

Mijn poëtische antwoord, in dezelfde mal gegoten.

Plaats een reactie