Overpeinzing van een bramenzoeker

17 FEBRUARI 2026

Als mijn scherm niet een zoo innig en zacht licht verspreidde, zou ik het er nooit in hooren – maar nu schijnt het mij of de felle rukwinden die tegen mijn huis tot flarden slaan en de kletterende regen die bij golven tegen de ramen wordt gezwiept, het lawaai van overmoedige kinderen is, die buiten almaar rond mijn woning dollen, en juichend en joelend handen vol harde pepernoten tegen de verlichte vensters werpen, om dan gillend te vluchten ver weg.

Het regent nu al drie dagen achtereen, eerst zacht en verstrooid, toen slordig en driest, nu roekeloos en wild. Maar dit moet nu toch wel het rukkend einde zijn, verwonderen zou het mij niet, als er reeds een enkele ster tusschen de wolken dreef.

Hoe wonderlijk toch, dat in het stille schermlicht nietige dingen zeldzaam, en overbekende dingen ons vaak nieuw toeschijnen; zoo wij zelf maar steeds zacht van binnenuit brandden, dan zouden vele dingen, die nu dor en ontoegankelijk schijnen, ons wellicht gemeenzaam worden en dierbaar tegelijk.

EINDE

Plaats een reactie